Deze website maakt gebruik van Cookies. Wilt u dat?

Attentie! Deze website maakt gebruik van Cookies en vergelijkbare technologie.

Als u uw browser setting niet wijzigd, gaat u er mee akkoord.

I understand
       
  Dit is een voorpublicatie van het boek Samen-een Copyright©2014-2016 Werkkampen.nl, L.Tokkie  
       
 

Kremboong


“Het Joodse werkkamp waar David overleven leerde”


David Tokkie, mijn vader, geboren op 12 juni 1910, had een bewogen leven. Hij is in 2005 op 95-jarige leeftijd overleden. Hij heeft de oorlog op wonderbaarlijke wijze overleefd. Pas na zijn dood besef ik dat hij een held is geweest zoals zovelen in de Tweede Wereldoorlog, maar zij spraken er niet over.

 

Zijn oorlogservaring begon in Amsterdam als artiest- kleermaker. Als één van de eersten werd hij gedeporteerd naar een zogenaamd Joods werkkamp, waar hij ontsnapte. Vervolgens is hij direct in Amsterdam in het verzet gegaan en na verraad, als onderduiker in Almelo terecht gekomen.

 



David Tokkie is de tweede van rechts


Hier werd hij lid van een Engelse pilotenlijn, een onderdeel van de verzetsgroep Fiat Libertas. In 1943 werd hij door de Engelsen gevraagd om spion te worden in Saarbrücken met het doel Duitse SS- en Gestapo-officieren te vragen naar hun reisbestemming in Europa. Dit deed hij als kleermaker onder het mom van het passen van Duitse uniformen en in het bijzonder rijbroeken.


In 1945 stak hij de Zwitserse grens over bij Singen Hohentwiel. Hier maakte hij deel uit van het team dat overlevenden van Dachau in Basel van kleding voorzag. In 1945 kwam hij terug in Nederland.
Dit is in het kort zijn levensloop. Hieronder het concept-hoofdstuk uit het te schrijven boek “Samen-een”, het leven van de David Tokkie tussen 1910 en 2013, het jaar dat zijn vrouw overleed.

 

De deportatie naar en de internering in het werkkamp “Kremboong”

 

Uit de interviews uit 1976, die ik van het Rode Kruis heb gekregen blijkt dat het kledingbedrijf van mijn vader, gevestigd op de bovenetage in de Spuistraat 225, een bloeiend bedrijf moet zijn geweest met zeven medewerkers.
Vanwege de antisemitische regelgeving, afgekondigd in 1941 en de daaruit voortvloeiende beperkingen en de publicatie in de kranten op 15 september 1941 artikel 1.1 lid 4, was het Joden niet toegestaan artistieke uitingen te bezoeken en uit te voeren.

 

Door de daaruit voortvloeiende bedrijfsmatige beperkingen , het niet krijgen van opdrachten, kwam het kledingbedrijf tot stilstand. Op 31 maart 1941 was hij genoodzaakt de Stadionstraat 23111 in Amsterdam-Zuid te verlaten en ging hij ook in de Spuistraat wonen. Daarnaast was hij genoodzaakt zich te laten inschrijven als werkzoekende bij het arbeidsbureau om in aanmerking te komen voor een uitkering.

 

Begin 1942 werd hij als alleenstaande en steuntrekkende jongeman als één van de eersten opgeroepen door de Joodse Raad om te gaan werken in een zogenaamd werkverruimingskamp. De Joodse Raad riep alle 2600 gesteunde joden op voor de keuring. De doelstelling was om 1400 joden in het eerste transport onder te brengen. Na een medische keuring door Joodse artsen op 3 januari 1942 in de Beurs voor Diamantairs en op basis van een formulier van de Joodse Raad, werd mijn vader ingedeeld voor het werkverruimingskamp Kremboong.


Het eerste transport vertrok op zaterdag 10 januari 1941 (zie de Ondergang volgens dr. J. Presser). Kremboong kon 204 tewerkgestelden huisvesten. De komende maanden zouden meer joden uit verschillende plaatsen naar Kremboong komen. In totaal gingen die zaterdag 10 januari 905 van de oorspronkelijk geplande 1402 alleenstaande mannelijke joden richting Drenthe. Van de 905 mannen hadden zich 170 niet gemeld op die betreffende zaterdag, waaronder mijn vader. Zondag 11 januari werd hij door de Duitsers opgepakt en op maandag 12 januari ging hij in een volgend transport. Hij en andere joden werden door de Duitsers naar het Centraal Station gebracht waar de trein klaarstond die hen naar Drenthe vervoerde.


Het enige wat ze mee mochten nemen was een koffertje met persoonlijke bezittingen. De rest van zijn bezittingen liet hij achter in het huis aan de Spuistraat. Een aantal zaken had hij veiligheidshalve en met een vooruitziende blik ondergebracht bij vrienden.


Het was een koude dag met een temperatuur van 6 tot 7 graden onder nul, zonnig en geen sneeuw.
In de slecht verwarmde treinen gingen ze richting Drenthe, waar ze ’s avonds aankwamen op het stationnetje van Hoogeveen dat net buiten de stad lag. Ze waren ingedeeld voor Kremboong en waren verplicht hier uit te stappen.
In het donker moesten ze 6 kilometer met de bagage marcheren in de februarikou over deels onverharde wegen naar het voormalig werkkamp van de Heidemaatschappij, Kremboong gemeente Tiendeveen.

 

Zijn verhaal:


“Het kamp lag links naast het pad op de kruising van Kremboong en Kerkweg. Het bestond uit drie grote houten barakken met een aantal kleinere loodsen en omgeven door een omheining met prikkeldraad.
We liepen door de poort en werden bij een van de barakken ontvangen door een kleine gedrongen man van ongeveer veertig jaar. Later vertelde hij mij dat hij afkomstig was van de Koninklijke Marine en daar kok was.
Want in de Kremboong was hij niet alleen ‘kampbeheerder’ maar hij kookte ook. Fout was hij niet. Hij was koningsgezind en had het beste met ons voor.”

 

Hij vervolgt:

 

“Ik heb vele malen lang met hem gesproken met maar met één doel: zijn vertrouwen winnen.

We moesten ons opstellen en hij legde kort de regels uit en we kregen een barak toegewezen met zeven anderen. Ik nam mijn intrek in één van de barakken, het nummer kan ik mij niet herinneren.

Daar was een zitruimte met een lange tafel met acht stoelen een een pot-kachel. Iedereen had een opbergkastje tegen de muur waarin een lepel, mes en vork, bord plus mok waren opgeborgen. In de slaapruimte stonden vier stapelbedden en ik sliep onder.
In de barak hadden we een kraan en een spoelbak tot onze beschikking. De wc of nummer 100 zoals mijn vader dat altijd noemde en pisbak waren buiten.
Dat herinner ik mij als de dag van gisteren. Het was die eerste week zo koud alsof je aan het overwinteren was op Nova Zembla en ik heb en had een zwakke blaas dus ‘s nacht naar buiten bij min 8 vergeet je niet snel. Van de verdere lichamelijke verzorging kwam weinig terecht. Je was een dwangarbeider en moest op tijd op de werklocatie zijn. Dus wanneer het kon en je de ruimte kreeg, verzorgde je jezelf.”


Hij vertelde over het leven in het kamp - dat hij samen met anderen grond moest ontginnen en dat hij zich nu pas realiseerde wat het leven van een gevangene was. Zeker toe het regime zwaarder werd door de aanwezigheid van de SS-ers en NSB-ers.


“Wat me duidelijk werd uit berichten en gesprekken met de beheerder was dat de kampen van de Rijkdienst voor de Werkverruiming het voorportaal was voor Westerbork, dat het het vertrekstation was naar de werkkampen in het oosten. In feite waren we dwangarbeiders en als kleermaker ben je dat zware lichamelijk werk niet gewend, zoals graven en het slepen met stobben. Het werk dat we moesten doen was een bos met metershoge bomen ontginnen tot landbouwgrond.”


Zijn van nature afwachtende houding veranderde snel in: ’hoe kan ik hier het best overleven’. Dus hij probeerde met twee anderen de ijzeren kiepkarren te rijden. Als ze eenmaal opgang geduwd waren, ging dat gemakkelijk en kreeg je geen blaren op je handen.


“Die ijzeren karren waren geladen met stobben (boomwortelstronken) en lood- en loodzwaar. Daarnaast had je ook nog de rails die met haken verplaatst konden worden als er een strook grond was afgegraven. Met een aantal mannen haakten we de haken in de rails en de ploegbaas riep dan: één, twee, trek!

En dan gaven we met zijn allen een stevige ruk aan de rails waardoor deze een meter of meer verschoven werden. Dit herhaalden we een aantal keer totdat deze volgens de ploegbaas op de juiste plek lagen. Het ontginnen kon voortgezet worden.

 

Door de kiepkarren te rijden kon je uit het zicht blijven van de ploegbaas , hij kon niet op alle plaatsen tegelijk zijn.

 

De ploegbaas, ik geloof dat hij Smit heette, was een sympathieke en rustige man. Hij zal een jaar of vijftig zijn geweest. Hij vertelde in spaarzame momenten dat hij dit werk al sinds 1935 deed en dat hij, voordat wij hier waren als geïnterneerde joden, met mannen werkte die tewerkgesteld waren door het arbeidsbureau of sociale dienst. Een paar maanden geleden was daar een onverwacht een einde aan gekomen. Op donderdag 8 januari waren de laatsten naar huis teruggekeerd.

 

De ploegbaas was een goed mens en had met ons te doen. Hij bracht iedere ochtend aardappels mee, die tussen de middag werden gepoft op een kampvuurtje. De aardappels van de ploegbaas waren een welkome aanvulling op ons dagrantsoen van brood en roggepap.
Het werkritme was eentonig; opstaan, je verzorgen, wat eten en zo’n 10 - 15 minuten lopen naar de plek waar je moest werken. Een rustpunt was de middag-pauze; als de zak in top ging snelde iedereen naar de keet om te eten.

 

Zo gingen de dagen voorbij en van februari werd het mei en in die tijd ontwikkelde zich een vriendschap met Simon Jacobs een jonge rechtenstudent uit Amsterdam die met het transport van maart het kamp binnen was gekomen. Intelligente jonge vent met een enorme dwang tot overleven.
In mei moesten we de Jodenster gaan dragen. Verzet had geen zin maar Simon en ik zullen de dag heugen dat dit niet meer hoefde.”


Het waren profetische woorden want die dag zou snel komen. Pa hield zich rustig, op de achtergrond, ‘niet opvallen wat zijn credo’ en hij zorgde voor een goed contact met de kampbeheerder.

 

“De kampbeheerder kon twee dingen voor mij regelen; de zogenaamde privileges en betere werkomstandigheden, maar het belangrijkste was de informatie om te overleven.
“Ik wierp mij op om activiteiten te organiseren en dat werd mij door mijn medegevangenen in dank afgenomen. Na een rondgang door de verschillende barakken vonden we een lid van de Ramblers, andere musici, een kunstschilder en een tekstschrijver. Daarnaast waren er een aantal mensen die ik kende uit de Hirsch- en Snip & Snap revue. Namen weet ik niet meer maar het was een bont en getalenteerd gezelschap.”

 

“We stelden een orkestje samen en noemden dit orkest de ’Kremboong Boys’. Ook vonden we twee geboren artiesten die Snip & Snap speelden. Mijn ervaring met de Snip & Snap revue kwam mij goed van pas en stelde mij instaat een Kremboong revue á la Snip & Snap te organiseren. De kampbewaarder bezorgde mij een Singer handnaaimachine, een met een schuitje. Met deze machine en de bloemetjesstof verzorgd door zijn vrouw, maakte ik de jurken voor de Snip & Snap revue. Ik voelde mij goed want dit was mijn leven, ik vergat de ellende en bedreigende situatie.”

 

De uitvoering vond plaats op Eerste Pinksterdag, 24 mei 1942. De medegevangenen vonden dit prachtig en vergaten even de slechte omstandigheden waarin we zaten.”


“Het privilege dat ik verwierf was dat ik geen zwaar werk hoefde te doen. Ik kon kleding maken en verstellen en daarnaast deed ik ook een stuk administratief werk. Vaak zat ik met Smit te praten, zeker toen ik een mantel voor zijn vrouw en een winterjas voor hem had gemaakt.”

 

Naast de Snip & Snap revue werd ook door de Joodse Raad een aantal activiteiten als afleiding en ontspanning georganiseerd. Op woensdag 24 juni kwam ‘s middags een rijtuig uit Hoogeveen met daarin de heer Cohen uit Amersfoort en met een Gronings trio dat samen met de Kremboong Boys een muziekuitvoering gaf.
Op zondag 5 juli was hij terug met de heer Duitz voor een damsimultaan-seance.

 

Ik won het vertrouwen van de kampbewaarder. Hij vertelde me wat de Duitsers met ons van plan waren. We zouden medio juli op transport gesteld worden naar het nieuwe Kamp Westerbork slechts 26 kilometer van Kremboong. Daarna zouden we met de trein naar het oosten gaan. Wat dat voor mij betekende begreep ik op dat moment niet, maar vertrouwen deed ik het niet.

 

Gedurende de periode van januari tot en met juni 1942 werd langzaam maar zeker het regime verscherpt. De SS was op 26 juni onverwacht op bezoek geweest en de NSB kwam met honden het kamp bewaken. Het regime werd grimmiger nadat de kampbeheerder op cursus was geweest bij de SS. Daarnaast was er steeds minder te eten en konden we het niet meer aanvullen met giften van de lokale boeren. Ik maakte plannen om te vluchten.
Medio juni werd mij uit gesprekken met de kampbewaarder duidelijk dat mijn leven in gevaar was en dat het transport naar Westerbork aanstaande was.

 

Ik nam de beslissing om te vluchten. Alleen had ik geen enkele kans en vertelde mijn plan aan Simon Jacobs.
Ik vertrouwde hem, want hij vertelde mij dat hij drie maanden in het gevang had gezeten op de Weteringschans in Amsterdam, omdat hij zich had aangesloten bij de protesten, bij wat wij nu de ‘Februaristaking’ noemen. Hij had het geluk gehad dat hij vrijgelaten was.

 

Hij vroeg, “mag ik mee?”

 

Ik hoefde niet lang na te denken en zei hem dat hij mee mocht.

Samen met Simon werkten we het plan verder uit en stelden de route naar het nabijgelegen bos vast. We spaarden eten en verstopte dat onder het bed zonder dat anderen dat zagen. Nu kwam het goed uit dat ik beneden sliep.

 

We moesten wachten tot de tijd rijp was voor de vlucht en op 15 juni of 15 juli nam ik de beslissing; er zou die nacht echte NSB-bewaking zijn en het was een heldere nacht en ik had begrepen dat het zou gaan regenen.”
Pa vertelt


“Ik was uit Kremboong op maandagnacht 15 juli 1942 ontsnapt, samen met Simon Jacobs en nog een vluchter. Hij zag ons toe we klaarstonden en ik kon hem niet weigeren, bang dat hij ons zou verraden. Het was donker die avond toen we vluchtten. We hadden het moment gekozen dat de NSB-bewaking met de honden ons niet kon zien.

Je spring uit het raam van de barak, je rent snel naar de omheining toe, onder het prikkeldraad door, door de akker naar het zandpad. Je rent voor je leven en je weet bereik ik het zandpad dan zijn we vrij’.
In het donker zagen we het zandpad waar Simon en ik het over gehad hadden. Nu nog slechts een paar honderd meter het bos in en de bomen maken ons onzichtbaar voor eventuele achtervolgers.”

 

Na voor ons gevoel uren lopen vonden we een schuilplaats in het struikgewas, tussen de hoge koningsvarens en de bomen. De andere vluchter koos zijn eigen weg, ik ben zijn naam vergeten. De volgende dag toen het licht werd regende het. We probeerden een plek te vinden waar we niet nat werden. Maar de rust werd verstoord want plotseling hoorden we de honden van de moffen. Ze waren ons aan het zoeken. Samen met Simon ben ik hoog in een dennenboom geklommen.

 

Voor mijn gevoel hebben we tenminste vier dagen in het bos in de bomen doorgebracht. Ik heb de Duitsers en NSB-ers onder me door zien trekken. Doodsangsten heb ik uitgestaan, de dood voor ogen. Ons geluk is geweest dat het die dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag hevig geregend had, waardoor onze sporen voor de honden zijn gewist en ze ons niet konden ruiken.

 

Het eerste wat we deden was de Jodenster afdoen die we sinds mei verplicht moesten dragen en die we verafschuwden en die ik daarna nooit meer heb opgedaan. Het gaf me mijn gevoel van eigenwaarde terug.”

 

Simon zei steeds “Wees sterk, we redden het”.

 

"Hij was een jonge intelligente jongen van 20 jaar met bravoure. Zijn jeugd en ervaring zorgden ervoor dat wij weer in Amsterdam kwamen. Simon is voor de rest van mijn leven één van mijn echte vrienden geweest.”

 

Welke route Simon en mijn vader hebben genomen en hoelang ze erover gedaan hebben is mij niet duidelijk en het is ook niet meer vast te stellen. Er is een indicatie dat ze een aantal dagen in de Noordoostpolder hebben doorgebracht en met een beurtvaarder over het IJsselmeer naar Amsterdam zijn gekomen
 

 
    Artikel uit de VeenMol geplaatst maart 201.4 De Veenmol is een publicatie van De Historisch Vereniging Hoogeveen.